| Voorburg, 25 april 2002 | |
Herstructurering naoorlogse woonwijken komt onvoldoende op gang |
|
De vernieuwing van de naoorlogse woningvoorraad blijft sterk achter bij de plannen van gemeenten en Rijk. Dit blijkt uit onderzoek dat het Onderzoeksinstituut OTB (TU Delft) uitvoerde in opdracht van de Neprom (projectontwikkelaars). Belangrijkste redenen van de stagnatie zijn de ingewikkeldheid van het vernieuwingsproces en de sterk toegenomen spanning op de woningmarkt, waardoor de doorstroming is weggevallen. Het Onderzoeksinstituut OTB onderzocht de 30 grootste gemeenten op hun herstructureringsactiviteiten in de naoorlogse wijken. Het zijn de wijken met veel kleine, slechte woningen, een verloederde woonomgeving en een grote concentratie aan achterstandgroepen. De paarse kabinetten hebben de afgelopen jaren hoge ambities geformuleerd om in die wijken de woningvoorraad te vernieuwen. Uit het onderzoek blijkt dat er nog weinig van de plannen terechtkomt. Slechts een derde van de gemeenten zit met de realisatie van de plannen ongeveer op schema. De rest blijft achter of is zelfs nog nauwelijks begonnen. De bevindingen staan in schrille tegenstelling tot de conclusies van minister Van Boxtel die onlangs in de rapportage ‘Steden op stoom’ een positief beeld schetste van het Grotestedenbeleid. Dit positieve beeld geldt dus niet voor de fysieke vernieuwing van woonwijken. Het OTB concludeert dat de uitvoering van de sloopplannen nog het beste op schema ligt. In de afgelopen twee jaar werden 11.000 woningen gesloopt. Dat is 80% van de geformuleerde streefcijfers, die overigens recent door staatssecretaris Remkes al fors werden verlaagd. Met de nieuwbouw in de naoorlogse wijken gaat het een stuk slechter; die blijft steken op 60% van de eveneens verlaagde ambities van Remkes. Ook de verkoop van huurwoningen blijft sterk achter. De verbetering van oude woningen komt nog veel minder van de grond; slechts 20% van de gemeentelijke plannen wordt gerealiseerd. Het meest dramatisch is het echter gesteld met het bouwkundig samenvoegen van kleine etagewoningen tot één grotere woning. Remkes verwachtte dat deze ingreep sterk kon bijdragen aan het aantrekkelijker maken van de naoorlogse woningvoorraad. In zijn Nota Wonen ging hij ervan uit dat op die manier jaarlijks 8.000 grote woningen gecreëerd kunnen worden. Uit het onderzoek van OTB blijkt dat in de praktijk de ingreep nauwelijks voorkomt. Kennelijk is het samenvoegen veel ingewikkelder of duurder dan gedacht. Consequentie kan zijn dat meer sloop en nieuwbouw nodig is. Volgens Neprom-voorzitter Carel de Reus wordt de stagnatie van de herstructurering vooral veroorzaakt door de sterk teruglopende nieuwbouwproductie op uitleglocaties, waardoor onvoldoende woningen voor de doorstromers uit de naoorlogse wijken beschikbaar komen. De Reus is van mening dat een volgend kabinet echt werk moet maken van de liberalisering van de woningmarkt, waardoor de nieuwbouw – en daarmee ook de herstructurering – in een stroomversnelling terecht kan komen. Ook bekritiseert De Reus de rol van de woningcorporaties in de naoorlogse wijken. Volgens hem ondernemen zij te weinig activiteiten om hun bezit te vernieuwen en zijn zij te weinig bereid om marktpartijen in te schakelen bij commerciële activiteiten. Volgens De Reus zijn tal van grote, professionele projectontwikkelaars al jaren betrokken bij plannenmakerij in een groot aantal naoorlogse wijken, maar ontbreekt het aan slagvaardigheid bij corporaties en gemeenten. De Reus pleit ervoor dat het volgende kabinet de stedelijke vernieuwing hoger op de politieke agenda zet en meer rijksgelden beschikbaar stelt voor gemeenten die daadwerkelijk de vernieuwing ter hand nemen. Noot voor de redactie: Voor meer informatie: Neprom, Jan Fokkema, directeur, 070 - 386 62 64, e-mail: j.fokkema@neprom.nl Onderzoeksinstituut OTB, TU Delft, Esther Philipsen, voorlichter, tel. 015 - 278 79 51, fax 015 - 278 44 22, e-mail: Philipsen@otb.tudelft.nl |
|