Carel de Reus, voorzitter van de Neprom, de vereniging van grote, professionele projectontwikkelaars, is verheugd dat de Parlementaire Enquêtecommissie Bouwnijverheid heeft bevestigd dat er geen grote onregelmatigheden binnen de VINEX-woningbouw zijn aan te tonen. De Reus betreurt het dat desondanks de commissie zich op sleeptouw van commissielid Duivesteijn heeft laten nemen door vervolgens toch een aantal negatieve, ongefundeerde kwalificaties aan VINEX toe te schrijven. Daarmee wordt VINEX volgens De Reus opnieuw ten onrechte in een vals daglicht gesteld. Vandaag presenteerde de Enquêtecommissie Bouwnijverheid haar bevindingen. In het lijvige rapport worden ook de ontwikkelingen en de grondverwervingen op de zogenaamde VINEX-locaties beschreven. De commissie concludeert: “Grote onregelmatigheden in de zin van het woord zoals door de NMa gehanteerd, zijn binnen de VINEX-woningbouw niet aangetoond.” Al eerder liet de Neprom aan de enquêtecommissie weten dat VINEX geheel binnen het rijksbeleid en de wettelijke kaders wordt ontwikkeld. Volgens de Neprom vonden de VINEX-grondaankopen begin jaren ’90 plaats, nadat het kabinet juist in alle openheid de locaties in het kader van de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening bekend had gemaakt. Omdat de overheid eind jaren tachtig niet langer de woningbouw op grote schaal wilde subsidiëren, zocht men bewust naar samenwerking met marktpartijen en werden marktpartijen door het ministerie van VROM onder druk gezet om het initiatief te nemen op VINEX-locaties. Vaak werden de grondaankopen zelfs gedaan op verzoek van de gemeenten. Deze feiten worden door de enquêtecommissie volledig onderschreven. Selectief gebruik bronnenmateriaal De Neprom vindt het zeer verwonderlijk dat ondanks deze belangrijke conclusie de commissie toch meent tal van negatieve kwalificaties aan VINEX te moeten toekennen. Zo stelt de commissie dat in het VINEX-proces beperking van mededinging is ingeweven. Tevens stelt de commissie dat mededinging op VINEX-locaties wordt beperkt door combinatievorming of samenwerking tussen marktpartijen onderling alsook binnen de bouwkolom. De commissie acht nader onderzoek van de NMa op dat terrein gewenst. Volgens Neprom-voorzitter Carel de Reus heeft de commissie met deze conclusies gefaald in het achterhalen van de gehele waarheid. De commissie heeft selectief gebruik gemaakt van bronnenmateriaal en belangrijke informatie achtergehouden. Daarmee heeft de commissie de parlementaire enquête gebruikt om VINEX ten onrechte in een kwaad daglicht te stellen. De enquêtecommissie heeft bij haar onderzoek slechts gebruik gemaakt van een onderzoek onder 50 gemeenten en van het eerdere rapport van de Tweede Kamer ‘Notie van Ruimte’. Marktpartijen werden in het geheel niet gehoord, terwijl de commissie daartoe wel ruimschoots in de gelegenheid was, onder andere tijdens het openbare verhoor van de heer Van den Hoven, oud-voorzitter van de Neprom. Zonder dat de commissie ook maar een poging ondernomen heeft om meer van de marktpartijen te vernemen, meent ze wel te mogen concluderen dat “transparantie en controleerbaarheid in de marktsector thans onder de maat zijn.” De Reus: “Het is ongepast dat de commissie ongegronde beweringen over VINEX doet, zonder daarbij ook maar op enig moment met vertegenwoordigers vanuit de sector hierover te hebben gesproken.” De Neprom-voorzitter verwijt de commissie ook selectief gebruik te hebben gemaakt van bronnen. Zo wordt niet gerefereerd aan het onderzoek dat de NMa op verzoek van kamerlid Duivesteijn in 2001 heeft uitgevoerd naar VINEX. De NMa concludeerde in september 2001 onder meer: “De door u vermoede beheersing van de woningmarkt door samenwerkende projectontwikkelaars en/of bouwondernemingen lijkt, gelet op de geschetste omvang van de woningmarkt (nieuwbouw en bestaande woningen vormen één markt; geografische afbakening minimaal regionaal), niet aannemelijk.” De Neprom heeft in september van dit jaar in een uitvoerige brief de commissie hiervan op de hoogte gebracht, maar de commissie heeft dit NMa-onderzoek niet bij haar conclusies betrokken en niet in haar rapport genoemd. Rechercherapport Al eerder weersprak De Reus uitspraken die Terlingen, oud-bestuurder van de AVBB, aan de vooravond van de parlementaire enquête deed in het tv-programma Zembla. Terlingen beweerde onder andere dat topambtenaren van het ministerie van VROM eind jaren tachtig informatie gelekt hebben naar aannemers en ontwikkelaars. Het ging om de locaties van de nieuwe, grootschalige VINEX-wijken. Volgens Terlingen hadden de marktpartijen op basis van geheime informatie gronden gekocht. Daardoor zouden de huizen tienduizenden euro’s duurder zijn geworden. Ambtenaren van VROM zouden daarvoor beloond zijn. Al tijdens zijn verhoor nam Terlingen zijn woorden voor een groot gedeelte terug. Later gaf hij toe dat hij de uitspraken had gedaan om aandacht te krijgen voor een eigen zaak. Inmiddels heeft ook een onderzoek door de recherche in opdracht van het ministerie van VROM uitgewezen dat de beweringen van Terlingen niet klopten. Het rechercherapport is in handen van de commissie; toch maakt de commissie geen gebruik van de conclusies in dit rapport. Boze opzet? Volgens De Reus heeft kamerlid Duivesteijn gebruik gemaakt van zijn lidmaatschap van de parlementaire enquête commissie om zijn politieke VINEX-stokpaardje te berijden. Al eerder probeerde Duivesteijn via een NMa-onderzoek en door middel van een onderzoek door een Parlementaire Onderzoekscommissie, die hij zelf voorzat en uitmondend in het rapport Notie van Ruimte, zijn gelijk te halen. “Nu probeert hij via de Parlementaire Enquête opnieuw VINEX in diskrediet te brengen en de politieke opinie te beïnvloeden om de VINEX-politiek terug te draaien.” Volgens de Neprom blijkt ook nu niet uit het onderzoek dat de marktwerking op VINEX gefrustreerd is of dat marktpartijen misbruik hebben gemaakt van hun grondposities op VINEX. Het onderzoek van de enquêtecommissie draagt volgens De Reus geen nieuwe feiten aan wat betreft VINEX. Ook was voor het onderzoek dat door de commissie onder de 50 gemeenten is uitgevoerd het instrument van de parlementaire enquête niet noodzakelijk. Volgens De Reus wekt de commissie hiermee de indruk van boze opzet om VINEX mee te slepen in het negatieve beeld rond de bouwfraude, zonder dat daarvoor nieuwe feiten aan het licht zijn gekomen en zonder dat daar aanwijzingen voor zijn. De marktpartijen die verantwoordelijk zijn voor VINEX en opereren binnen het rijksbeleid en de wettelijke kaders, worden ten onrechte in een vals daglicht gesteld en zwartgemaakt. Tendentieus De Reus vindt het woordgebruik en de impliciete aannamen in het VINEX-deel van het rapport tendentieus. Zo schrijft de commissie bijvoorbeeld dat de prijzen van woningen op VINEX de afgelopen jaren zijn gestegen, terwijl de kwaliteit minder hard is gestegen. Daarbij gaat men voorbij aan de bevindingen van de NMa in haar rapport van 2001, namelijk dat “juist door het gedrag van de gemeenten de verkoopprijzen aan maxima worden gebonden en dat daardoor de prijzen lager liggen dan bij volledige marktvrijheid het geval zou zijn.” Ook constateert de NMa (in navolging van het CPB) dat de prijsstijging bij nieuwbouwwoningen in de periode 1991-1996 gematigder is geweest dan in de bestaande voorraad (28% versus 50%, beide gecorrigeerd voor kwaliteitsverschillen). De Neprom heeft de commissie hier uitvoerig op gewezen; toch noemt de commissie dit niet. Ook schrijft de commissie: “dat de variëteit in selectie van ontwikkelaars en de uitgifte van grond bij gemeenten die zelf kunnen beschikken over de grond aanzienlijk groter is. Zowel grote als kleine, nationale en lokale ontwikkelaars, en ook particulieren treden als realisator op. Binnen het bestek van dit onderzoek is echter niet duidelijk of dit heeft geleid tot een andere, betere prijs/kwaliteitverhouding van de individuele woning.” Terwijl de commissie eerder in het rapport schrijft: “Over het algemeen lijkt de eerste reactie van de gemeenten dat de grondposities van de marktpartijen de kwaliteit van de planontwikkeling niet negatief hebben beïnvloed.” Ook uit eerder onderzoek waarover de commissie beschikt blijkt dat er geen noemenswaardige kwaliteitsverschillen zijn tussen dergelijke locaties. Ook hieruit blijkt volgens De Reus het selectief gebruik maken van bronnenmateriaal door de commissie en de tendentieuze bewoordingen. |