Nieuws
11 oktober 2018
Thuis in de toekomst: de visie van gedeputeerde Erik van Merrienboer
Hoe kijken bestuurders tegen de toekomstige ruimtelijke inrichting van Nederland aan. Een interview met gedeputeerde Erik van Merrienboer (provincie Noord-Brabant, Ruimte en Financiën, PvdA).

De NEPROM publiceerde onlangs ‘Thuis in de toekomst, Investeringsstrategie voor duurzame verstedelijking’. Inmiddels is ook het Kabinetsperspectief voor de Nationale Omgevingsvisie verschenen. Een goed moment om aan een aantal bestuurders te vragen hoe zij tegen de toekomstige ruimtelijke inrichting van Nederland aankijken. Gedeputeerde Erik van Merrienboer (provincie Noord-Brabant, Ruimte en Financiën, PvdA) bijt het spits af.

Deelt u de visie van NEPROM dat de bouwopgave tot 2030 één miljoen nieuwe woningen bedraagt?
‘Ik herken de opgave zeker. Voor Brabant hebben we de opgave tot 2030 ingeschat op 120.000 nieuwe woningen, dus die getallen verhouden zich wel tot elkaar. Met daarbij wel een nuance: achter het begrip “nieuwe woningen” gaat een grote diversiteit schuil. Bij de Vinex ging het voornamelijk nog om nieuwe eengezinshuizen, maar we hebben nu een andere woningbouwproductie voor ogen. Ook na de crisis nog zagen we dat veel programma’s eenzijdig vasthielden aan het grondgebonden wonen voor gezinnen, maar inmiddels weten we dat er andere accenten nodig zijn: goedkoper bouwen, sociale woningbouw en middensegment, nieuwe woonvormen, bouwen voor een- en tweepersoonshuishoudens. Dus ook appartementen. Maar ook de dwarsverbanden naar sociale thema’s als vereenzaming en zorg. Inhoudelijk leidt dat bij het wonen tot een andere insteek.’

Hoe kijkt u aan tegen investeringen in infrastructuur in relatie met woningontwikkelingen; moet er vanuit het MIRT meer geld gaan naar bereikbaarheid binnen de stedelijke agglomeraties dan thans het geval is? Hoe urgent/groot acht u dit knelpunt?
‘We willen recht doen aan woonwensen. Daar hoort ook de relatie met de bereikbaarheid en beschikbaarheid van voorzieningen bij. Er is nu veel vraag naar wonen – daar prijzen we onszelf gelukkig mee – een opgave die we goed kunnen koppelen aan andere ambities. Met de Brabantse Agenda Wonen zetten we bijvoorbeeld zwaar in op de herbestemming van leegstaand vastgoed, vooral in de binnensteden. En mobiliteit hoort daar ook onlosmakelijk bij. Kijk bijvoorbeeld naar de opgave voor een stad als Utrecht, die kan niet los worden gezien van hoe we in Nederland omgaan met binnenstedelijke verplaatsingen. In Eindhoven zien we dat op een vergelijkbare manier terug. In het centrum staan parkeergarages deels leeg omdat ze zijn gebouwd volgens een parkeernorm voor auto’s die nooit zijn gekomen. Nu zeggen ze tegen een ontwikkelaar ‘laat die parkeernorm los en bied mobiliteitsmanagement aan, bijvoorbeeld met deelfietsen en –auto’s en fijnmazig OV. Gebruik het geld dat je overhoudt voor meer groen en waterkwaliteit. Met slimme mobiliteit kun je binnenstedelijke transformatie kansrijker maken.’

Hoe kijkt u tegen de analyse aan dat gemiddeld gesproken maximaal 55% van de nieuwe woningen in bestaand bebouwd gebied is in te passen en dat er dus ook op uitleglocaties gebouwd moet gaan worden?
‘In Brabant hebben we een grote leegstandsopgave. De kwaliteit van leven in de steden en dorpen staat voorop. En daarom zetten we in regionaal verband stevig in op inbreiding en transformatie. Waarbij zorgvuldig ruimtegebruik overigens voor gaat op zuinig ruimtegebruik: het gaat ook om investeren in groen en blauw, in de klimaatopgave, in energie.

En daarnaast vindt ook uitbreiding plaats. We zijn niet tegen uitbreiden en – in tegenstelling tot wat bijvoorbeeld Bouwend Nederland beweert – hebben we in Brabant uitbreidingslocaties genoeg. Waar het om gaat is: hebben we voor die plekken de juiste plannen, met voldoende onderscheidende woonmilieus? Gemeenten kunnen elkaar met teveel gelijksoortige plannen flink in de weg zitten. De afstemming tussen 64 gemeenten in onze provincie geven we hoge prioriteit. Wij zeggen tegen gemeenten: maak gezamenlijk afspraken op het subregionale niveau van de woningmarkt, die vaak de gemeentegrenzen overstijgt. We vragen gemeenten met elkaar te onderzoeken welke uitbreidingsgebieden echt toegevoegde waarde bieden: waar bouwen we wanneer en voor wie? Spannend daarbij in Brabant is nog wel dat marktpartijen soms moeite hebben om tot plannen met een kleine korrel te komen. De sector houdt van schaal en volume en wil pas beginnen vanaf bepaalde aantallen. Dat levert nog wel stevige gesprekken op. Wat ons betreft moet kwaliteit voorop staan.’

Welke rol speelt de provincie in deze programmeringsdiscussie?
‘De dialoog met en tussen de gemeenten kan niet intensief genoeg zijn. Dat is voor iedereen wennen; voorheen was op dit gebied toch sprake van een grote gemeentelijke autonomie. Maar steeds meer gemeenten zien dat het delen van kennis en capaciteit tot betere plannen kan leiden. Onze rol is daarbij het faciliteren van het gesprek, wij zetten de tafels gereed. Het is dan mooi om te zien hoe bijvoorbeeld in het stedelijk gebied rond Eindhoven, maar ook in West-Brabant-West en Land van Cuijk prima afspraken worden gemaakt.’

Ziet u heel andere opgaven, knelpunten en uitdagingen waar het gaat om duurzame verstedelijking in de komende 20 jaar?
‘Transformatie gaat zeker een belangrijke rol spelen. We hebben een aantal middelgrote steden met een verleden als groeikern en regionale centrumfunctie. Daar ligt bijvoorbeeld een stevige opgave in bestaand commercieel vastgoed. Centra moeten compacter worden gemaakt, waarbij wel weer ruimte ontstaat voor bijvoorbeeld woningbouw. In onze visie schalen we daarbij op van een kavelgerichte aanpak naar een gebiedstransformatie, waaraan ook partijen als het Rijk een bijdrage moeten leveren. Met deze gemeenten brengen we nu de concrete opgaven in beeld. Ook ambities als de energietransitie moeten op gebiedsniveau invulling krijgen; we zijn er niet met “leg even zonnepanelen op alle daken”. Dat alles vraagt om een gereedschapskist die beter gevuld is dan die op dit moment is, maar daar werken we dan ook hard aan. Anders lukt het niet om binnenstedelijk echt tempo te maken. En dat is hard nodig.’

Foto: Wim Roefs

Tags