Nieuws
14 november 2018
Thuis in de toekomst: de visie van wethouder Astrid Janssen
Wethouder Astrid Janssen (Amersfoort, GroenLinks) reageert vanuit de lokale opgave op de NEPROM-visie ‘Thuis in de toekomst, Investeringsstrategie voor duurzame verstedelijking’.

De NEPROM publiceerde onlangs ‘Thuis in de toekomst, Investeringsstrategie voor duurzame verstedelijking’. Inmiddels is ook het Kabinetsperspectief voor de Nationale Omgevingsvisie verschenen. Een goed moment om aan een aantal bestuurders te vragen hoe zij tegen de toekomstige ruimtelijke inrichting van Nederland aankijken. Wethouder Astrid Janssen (Amersfoort, GroenLinks) geeft haar reactie vanuit de lokale opgave.

De NEPROM stelt dat de woningbouwopgave tot 2030 één miljoen nieuwe huizen bedraagt? Deelt u die analyse?
‘Ik herken de grote opgave. Over de correctheid van de landelijke cijfers kan ik niet veel zeggen maar ik weet wel dat in Amersfoort de behoefte groot is. De komende periode hebben we circa 13.000 nieuwe woningen nodig. Voor Amersfoort is een dergelijke opgave overigens niet nieuw, omdat we al langere tijd groeistad zijn. We komen van 100.000 inwoners in 1990 via 155.000 in 2018 naar 180.000 inwoners in 2030. Dat is een flinke groei. Amersfoort is populair als woongebied. Dat is uiteraard verheugend maar het heeft ook zo zijn nadelen. Bijvoorbeeld de stijgende woonprijzen, die mede samenhangen met de grote vraag van buiten de stad: veel mensen uit Amsterdam en Utrecht zoeken hier een woning. Onze “eigen” mensen vinden het daardoor lastig een woning te vinden, die ook nog betaalbaar is. We moeten dus bouwen, maar wel met kwaliteit, binnenstedelijk, in gemengde wijken en met veel groen.’

Hoe kijkt u tegen de analyse aan dat gemiddeld gesproken maximaal 55% van de nieuwe woningen in bestaand bebouwd gebied is in te passen en dat er dus ook op uitleglocaties gebouwd moet gaan worden?
‘We proberen de opgave in Amersfoort eerst binnenstedelijk op te lossen. We hebben gelukkig daar gebieden met de nodige plancapaciteit. Bouwen in de groene weide is gemakkelijker dan in de brownfields; in de stad kom je altijd hobbels tegen. Maar je kunt de stad er ontegenzeggelijk flink mee verbeteren. We kijken naar verschillende mogelijkheden. Bijvoorbeeld door verdichting en transformatie van een bestaande kantorenwijk zoals De Hoef-West.  Maar ook naar een verouderd bedrijventerrein zoals de Kop van Isselt en de Wagenwerkplaats, pal naast het station. Op dat soort plekken is veel kwaliteit toe te voegen. Hier ligt dus duidelijk de prioriteit. De inzet daarbij is om flexibel en gemengd te bouwen. Amersfoort is een jonge stad, nog jonger dan Almere, met veel gezinnen met kinderen in de basisschool-leeftijd. We zullen zeker niet alleen eengezinswoningen of alleen appartementen toevoegen, dan zet je jezelf als stad onnodig vast. We streven naar een mix in woningtypen, bouwhoogtes en programma’s – met naast het wonen ook aandacht voor werken. Qua uitleglocaties wordt momenteel alleen gekeken naar Vathorst-West. Daar moet eerst de vraag beantwoord worden of bouwen wenselijk en mogelijk is. Daarnaast wordt heel voorzichtig gekeken naar de kernrandzones, oftewel de randen van de stad. Er is zoveel vraag dat we ook uitbreiding als optie in de lucht willen houden. Het heeft namelijk ook geen zin om in de stad alle groengebieden op te offeren; ook die gebieden zijn nodig voor gezond stedelijk leven.’

Hoe kijkt u aan tegen de NEPROM-visie op langjarige samenwerking tussen overheden en marktpartijen bij gebiedsontwikkelingen?
‘Samenwerking is de enige manier waarop ontwikkelingen van de grond kunnen komen. Als gemeente hebben wij weinig grondposities dus per locatie bekijken hoe we met de betreffende eigenaar vooruit kunnen komen en de samenwerking invulling kunnen geven. In de bestaande stad is dat vaak complexer. Bovendien hebben we daar met omwonenden te maken. Daar ligt echter ook een enorme kans. Het overleg met bijvoorbeeld particulieren geeft mogelijkheden om de bestaande omliggende wijken te verbinden met de geplande nieuwe gebiedsontwikkeling. In termen van energietransitie bijvoorbeeld; dat kan een hefboom om de duurzaamheid in de stad als geheel te vergroten. Leg bijvoorbeeld een WKO aan waar ook de buren van kunnen profiteren.

Op het gebied van duurzaamheid en samenwerking zie ik ook nog wel een andere uitdaging. Ik merk dat de meeste bouwers wel willen voldoen aan de bestaande duurzaamheidseisen, maar dat gaat ons als gemeentebestuur eigenlijk niet snel genoeg en het zet te weinig zoden aan de dijk. Met de basiseisen worden er woningen gebouwd die naar ons idee onvoldoende toekomstbestendig zijn. Wij willen dus graag de lat hoger leggen, om echt wijken voor de toekomst te maken. Zodat de bestaande wijken als het even kan energieleverend worden. Dat vergt echt omdenken! Ik hoorde laatst iemand zeggen dat het tie-wrap model daarvoor geschikt is: steeds de boel iets vaster maken, zonder dat het weer los kan schieten. De komende tijd wil ik ontwikkelaars graag op uitdagen. De energie die je binnen de stad opwekt of zelfs niet nodig hebt, vraagt geen ruimte voor zonneweides en windmolens in het buitengebied.’

Bent u het er mee eens dat het Rijk waar het gaat om systeemkeuzes en de grote ruimtelijke opgaven weer meer de regie naar zich toe moet trekken, in combinatie met het beschikbaar stellen van de financiële middelen?
‘Bij de rol van het Rijk denk ik vooral aan regelgeving die in de weg zit. Bijvoorbeeld ten aanzien van de rol en positie van de woningcorporaties. Zij worden te veel beknot. We moeten ze weer in positie brengen om een bijdrage aan de stedelijke ontwikkeling te kunnen leveren. Bij nieuwe plannen zetten wij in op 35 procent sociale woningbouw. Het heeft onze voorkeur om dat niet met particuliere beleggers te doen, want dan worden deze woningen na 15 jaar weer aan de voorraad onttrokken. Het liefst zien wij ook dat er huurwoningen tot aan de eerste aftoppingsgrens van 597 euro worden gebouwd. Dat vergt investeringen en daartoe moeten de corporaties wel in staat worden gesteld. Zij zijn een belangrijke partner in de stad.’