Nieuws
12 november 2011
SVIR: een visie die vragen oproept
Maandag 14 november is het debat in de Tweede Kamer over het ontwerp Structuurvisie Infrastructuur & Ruimte (SVIR).

Maandag 14 november is het debat in de Tweede Kamer over het ontwerp Structuurvisie Infrastructuur & Ruimte (SVIR).

Twee weken daarvoor werden de antwoorden van minister Schultz op eerdere schriftelijke vragen van de Kamer gepubliceerd. En de antwoorden op alle vragen en antwoorden die tijdens de inspraakprocedure gesteld zijn. In totaal meer dan 600 pagina’s tekst. Te veel om allemaal te lezen, maar als je er diagonaal door heen gaat dan vallen wel een paar zaken op. De SVIR zelf telt trouwens maar net iets meer dan 100 pagina’s tekst. Ongelooflijk dun in vergelijking met de befaamde stoeptegel van de Nota Ruimte.

Beleid wordt geschrapt
Het debat in de vakwereld rond de SVIR is erg tam. De zelfs in omvang uiterst beperkte Structuurvisie Randstad 2040 van enige jaren geleden, deed veel meer stof opwaaien dan deze nota, die echter wel verstrekkende gevolgen zal hebben, in tegenstelling tot die Randstadvisie. Het belangrijkste van SVIR is dat er heel veel niet in staat. Heel veel Rijksbeleid houdt gewoon op te bestaan. Dat blijkt veel vragen en misverstanden op te leveren, zowel bij de vele insprekers in den lande als bij de Kamerleden.

Veel partijen – waaronder niet de minsten - denken dat het Rijk allerlei taken en beleid op het terrein van de ruimtelijke ordening (denk aan verstedelijkingsbeleid, locatiebeleid, bescherming van landschappen, etc,) decentraliseert in het SVIR. Vervolgens stelt men dan ook de vraag of er ook geld mee gedecentraliseerd wordt. De minister helpt hen in haar antwoorden snel uit de droom.

“Er vindt geen decentralisatie maar deregulering plaats. Provincies en gemeenten hebben zelf de mogelijkheid om losgelaten taken van de overheid over te nemen, binnen hun eigen financiële kaders en juridische en organisatorische mogelijkheden.”


Oeps, we leven dus echt in een heel andere tijd. Dit kabinet schrapt echt beleid. Ook degenen die van het Rijk beleid verwachtten op het terrein van de kantorenleegstand, de detailhandelsstructuur of de bevolkingskrimp komen bedrogen uit. De minister verwijst u door naar de provincies. Het is geen Rijkstaak!

Vertrouwen?
Zeer frequent worden er vragen gesteld of het Rijk toezicht blijft houden op provincies en gemeenten en een coördinerende rol blijft vervullen. Bijvoorbeeld waar het gaat om de doorwerking van de nationale belangen in het beleid van de lagere overheden. Of als lagere overheden er onderling niet uitkomen. De minister antwoordt consequent dat ze dat niet zal doen en dat het Rijk vertrouwen heeft in de lagere overheden. In dat verband is het opvallend dat er verschillende fracties in de Tweede Kamer – maar ook maatschappelijke organisaties - weinig vertrouwen hebben in de (planologische) kennis van gemeenten. De minister heeft er geen boodschap aan.

Regionale en lokale verschillen
Veel vragen zijn er ook over de duurzame verstedelijkingsladder, die op het volgende neerkomt: bij een ruimtelijk plan over een ontwikkeling moet de gemeente eerst beoordelen of die voorziet in een regionale behoefte, kwantitatief of kwalitatief. Zo ja, dan onderzoeken of die ontwikkeling binnen de bebouwde kom valt in te passen, bijvoorbeeld door herontwikkeling of transformatie. En als dat niet lukt, dan buiten de bebouwde kom, maar in elk geval op een locatie die multimodaal ontsloten is of wordt.

Insprekers willen sporten aan die ladder toevoegen, door bijvoorbeeld gradaties en kwaliteiten in infrastructurele ontsluiting in de afweging mee te nemen of gradaties in kwaliteit van het gebied buiten de rode contouren mee te nemen. De minister neemt die voorstellen niet over.

Procesverplichting of procesvrijheid?
Ter nadere toelichting op de ladder schrijft de minister dat het hanteren van de ladder uitsluitend een procesverplichting is. De wethouder of de gedeputeerde moet motiveren waarom er behoefte is aan de betreffende ontwikkeling en waarom die wel of niet binnen de bebouwde kom past. De validiteit van de motivering, waartoe de ladder verplicht, zal worden beoordeeld in het lokale democratische proces. Financiële haalbaarheid kan deel uit maken van de te wegen belangen en factoren.

Kortom, het is aan de lokale bestuurders om de ladder naar eigen inzicht toe te passen. Het Rijk zal daarbij niet ingrijpen. En de kans is groot dat ook de rechter bij bezwaar slechts marginaal zal toetsen. Je kunt dus als bestuurder argumenteren zoals je zelf wilt. Voor de ene bestuurders biedt de bestaande stad nog voldoende ruimte, ook al moeten tegen hoge kosten oude functies gesaneerd worden. Voor een andere bestuurder kunnen die hoge kosten juist reden zijn om te zeggen dat er buitenstedelijk ontwikkeld mag worden. Voor elk wat wils.

Wel is het zo dat je als gemeente, als er geen plek meer is binnen bestaand stedelijk gebied in de eigen gemeente moet nagaan of die ruimte wel aanwezig is binnen de andere regionale gemeenten.

Provincies kunnen door verordeningen de werking van de ladder nog versterken. Bijvoorbeeld zou de provincie in haar verordening vast kunnen leggen dat er voldoende van een bepaalde functie aanwezig is in een bepaalde regio (bijvoorbeeld kantoren) of dat een bepaalde functie niet buiten bestaande stedelijk gebied gerealiseerd mag worden (bijvoorbeeld detailhandel). Ook zou de provincie vormvereisten in de verordeningen vast kunnen leggen met betrekking tot het intergemeentelijk overleg. Maar of provincies dat gaan doen, blijft afwachten.

Kortom, met de SVIR schaft het Rijk een groot deel van het nationale ruimtelijke beleid af en geeft decentraal ruime beleidsvrijheid. Of en op welke wijze provincies en gemeenten dat gaan oppakken is nog onduidelijk.

Tags