Nieuws
14 juli 2015
Aanpassing contract Damplein leidt niet tot terugvordering
In 2013 heeft de Europese Commissie een omstreden besluit genomen inzake herontwikkeling van een plein in Leidschendam-Voorburg.
Eind januari 2013 heeft de Europese Commissie een omstreden besluit genomen. Het betrof plannen van de gemeente Leidschendam-Voorburg en projectontwikkelaars om het Damplein te (her)ontwikkelen.

In 2004 zijn de relevante overeenkomsten gesloten. Omdat het overeengekomen voorverkooppercentage (70%) niet werd gehaald, is onderhandeld over een wijziging van de overeenkomsten. Overeenstemming daarover is in 2010 bereikt. De genoemde 70% is daarbij losgelaten.

De Commissie heeft twee en een half jaar geleden bepaald, dat op grond van de gewijzigde overeenkomst sprake was van (ongeoorloofde) staatsteun. Die zou onder andere besloten liggen in de overeengekomen verlaging van de grondprijs. Relevant blijkt dat in verband hiermee een taxatierapport beschikbaar was in het dossier. Verder ging het om de kwijtschelding van de grondexploitatiebijdrage en kwaliteitsbijdragen. De hiermee gemoeide bedragen zouden dus teruggevorderd moeten worden.

De Staat, gemeente en projectontwikkelaars hebben de zaak bij het Europees Hof aangekaart. Het Hof heeft 30 juni 2015 het besluit van de Commissie vernietigd. Het Hof vindt dat dit besluit niet tot stand had kunnen komen op basis van het door de Commissie verrichte onderzoek en zonder rekening te houden met alle relevante aspecten van de betrokken maatregel en zijn context.

Het Hof gaat in dat kader vooral in op het criterium van de particulier investeerder. Het Hof maakt (wederom) duidelijk dat het om zuiver economische en financiële belangen gaat die getoetst moeten worden - en niet het maatschappelijk belang - bij de zo snel mogelijke uitvoering van de betrokken werkzaamheden.

Het Hof verwoordt het als volgt (nr. 125):
“Met name de onzekerheid ten aanzien van de strekking van de 70%-bepaling; de complexiteit van het project; de sterke contractuele positie van SJB daarin omdat zij als enige een PPP met de Gemeente had gesloten; het feit dat het Damplein het centrale deel van het project Leidschendam Centrum was en dat de gemeente ook belang had bij het zo snel mogelijk ontvangen van de inkomsten uit commerciële ruimten en woningen; het niet kunnen voorzien hoeveel schade en rente eventueel gedragen moesten worden; de gestelde schade in geval van niet-uitvoering van het project Damplein, en het feit dat de Gemeente uiteindelijk slechts 50% van het verlies als gevolg van de betrokken maatregel moest dragen, zijn relevante aspecten die de Commissie in aanmerking had moeten nemen om te kunnen analyseren of de beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst van 2004, die hoogstwaarschijnlijk gevolgen zou hebben had voor de geldigheid van de andere bilaterale overeenkomsten, met name die waarbij het PPP is overeengekomen, voor de Gemeente een betere oplossing zou zijn geweest vanuit economisch oogpunt."

De NEPROM vindt dat het Hof in deze zaak realistische verwachtingen en eisen heeft ten aanzien van het benodigde onderzoek en de gevraagde onderbouwing van de Commissie. De NEPROM is dan ook content met de conclusie van het Hof dat de Commissie onder deze omstandigheden niet tot haar besluit kon komen. 

Lees hier de hele uitspraak