Nieuws
29 maart 2017
Dit is de NEPROM: Martijn van Gelderen
Met de serie ‘Dit is de NEPROM’ willen we laten zien dat onze vereniging gemaakt wordt door actieve en gedreven mensen, werkzaam bij onze leden. Deze keer: Martijn van Gelderen (BPD).

Met de serie ‘Dit is de NEPROM’ willen we laten zien dat onze vereniging gemaakt wordt door actieve en gedreven mensen, werkzaam bij onze lid-bedrijven. En we willen professionals inspireren om met hun ervaring en expertise bij te dragen aan onze verenigingsactiviteiten.

Wie ben je?
Mijn naam is Martijn van Gelderen, en ik werk vanaf 2008 bij het huidige BPD Ontwikkeling, in de rol van Manager Milieu & Omgevingskwaliteit. Vanuit het hoofdkantoor in Hoevelaken ondersteun ik de regiokantoren op het gebied van milieu en duurzaamheid, in meest brede zin. Dit vindt plaats vanaf het allereerste begin van een gebieds- of locatieontwikkeling (haalbaarheid en verwerving) en tijdens verdere besluit- en planvorming, tot het gebied is overgedragen aan de nieuwe bewoners en gebruikers. En ooit was ik amateur archeoloog…

Wat is je betrokkenheid bij de NEPROM?
Namens de NEPROM ben ik vanaf 2011 lid van het Centraal College van Deskundigen Archeologie (CCvD) van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB). Het SIKB beheert de protocollen die gevolgd worden bij het doen van archeologisch onderzoek, dus nadat er is vastgesteld of er überhaupt wel onderzoek nodig is. 

Wat is jouw bijdrage aan de professionalisering van onze sector?
Er was eigenlijk sprake van een weeffoutje in het systeem. Voor vrijwel alle activiteiten zijn initiatiefnemers gewend dat er op hun naam een vergunning voor een bepaalde activiteit wordt aangevraagd, zoals bouwen, een bodemsanering, een ontheffing flora en fauna, een watervergunning etc.. In de archeologie was echter sprake van een opgravingsvergunning voor de uitvoerende marktpartijen, en die vergunning werd éénmalig bij toetreding afgegeven door de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed.

De afgelopen jaren in het CCvD hebben vooral in het teken gestaan van het herstellen van deze weeffout. In het bestuursrecht is inmiddels geregeld dat initiatiefnemers ook een archeologievergunning kunnen aanvragen (via het bouw- en aanlegvergunningenstelsel), en nu wordt de opgravingsvergunning vanuit het Rijk omgezet naar een systeem van kwaliteitsborging door de opgravende archeologische bureau’s zelf.

De impact van deze stelselwijziging is groot en gaf ook veel onrust onder de archeologen. Juist als één van de weinige niet-archeologen kon ik hier een nuttige bijdrage aan leveren en zo de overige betrokkenen steeds weer tot de kern en intentie van deze stelselwijziging terug laten komen. De komende jaren zal blijken of dit traject is geslaagd, of dat bijsturing nodig is.