Nieuws
24 mei 2019
DVDP-verslag: De grote verbouwing van Nederland
Na een periode van afwezigheid op het podium van de ruimtelijke ordening is het Rijk weer terug in de discussie. Op 20 juni wordt de ontwerp-Nationale Omgevingsvisie (NOVI) uitgebracht.

Nederland staat voor een aantal urgente opgaven, variërend van de bouw van 1 miljoen woningen tot en met klimaatadaptatie en energietransitie. Tot 2030 (en ook daarna) moet op tal van terreinen veel gebeuren. Na een periode van afwezigheid op het podium van de ruimtelijke ordening is het Rijk weer terug en mengt zich in de discussie over de toekomstige ruimtelijke inrichting van Nederland. Dit gebeurt met het uitbrengen (op 20 juni) van de ontwerp-Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Het is de langverwachte opvolger van de Vierde Nota en de Vierde Nota Extra. Projectdirecteur Emiel Reiding licht tijdens deze sessie een tipje van de sluier op: welke keuzes maakt het Rijk? Hoogleraar Coen Teulings (Rijksuniversiteit Utrecht) geeft eveneens zijn visie op waar het met Nederland de komende jaren naar toe moet, nu de nieuwe ronde van verstedelijking zich aandient.

Emiel Reiding constateert dat de verbouwing van Nederland een constant proces is, waarbij het Rijk nu terug wil aan de tafel waaraan gesproken wordt over de kwaliteit van de leefomgeving in dit land. Een bijzonder land, zo laat hij zien aan de hand van een gedraaid kaartbeeld. ‘Nederland gezien vanuit de Noordzee laat zien dat we een echte delta zijn. Een plek die niet voor de hand ligt om te bebouwen maar waar door mensen eeuwenlang wel op is ingezet. En met succes: Nederland heeft zich een goede positie weten te verwerven, ook internationaal.’ Vanzelfsprekend is dat echter niet en het Rijk wil zich ervoor inspannen om alle ruimtevragende ontwikkelingen die de komende tijd op ons afkomen zo goed mogelijk te laten landen in de schaarse ruimte. En dat vraagt strategische keuzes. Daarvoor zijn vier prioriteiten benoemd (duurzame economie, wonen, energie en toekomstbestendige ontwikkeling landelijk gebied), evenals drie afwegingsprincipes. Deze betreffen de voorrang van multifunctionele programma’s (‘combineren gaat boven enkelvoudig’), het inzetten op de kenmerken en identiteit van gebieden (‘geen blauwdruk voor heel Nederland’) en het voorkomen van afwenteling (‘de lasten eerlijk verdelen’).

Uitwerking in gebieden
De NOVI die 20 juni als website wordt gepresenteerd geeft de richting en de kaders, de echte uitwerking vindt volgens Reiding in de gebieden plaats. Aan de hand van beelden uit de studie ‘Stad van de Toekomst’ laat de NOVI-projectdirecteur zien welke thema’s aan de orde kunnen komen – tot en met gezondheid en bewegen aan toe. En dat zal niet alleen in steden als Amsterdam en Utrecht het geval zijn; ook daarbuiten moet veel worden verbouwd. Een kansrijke ontwikkeling is de verdere verstedelijking langs openbaar vervoersassen, zoals de Verstedelijkingsalliantie Zuid-Holland bijvoorbeeld laat zien. Geld vormt daarbij wel een belangrijk knelpunt, aldus Reiding. De MIRT-budgetten zijn tot 2030 verdeeld en komen vooral de aanleg van autowegen ten goede; hoe de mobiliteit van binnenstedelijke transformaties het beste kan worden geaccommodeerd is vooralsnog onduidelijk.

Voorkeur voor de stad
Coen Teulings geeft zijn presentatie de titel mee: ‘De grote verbouwing van Nederland, maar waar?’ Hij plaatst allereerst enkele nuances bij het huidige floreren van steden en de forse prijsstijgingen die daarvan het gevolg zijn. ‘De jaren zeventig van de vorige eeuw hebben ons geleerd dat steden ook weer kunnen krimpen. De grote krimpers van toen zijn de grootste stijgers van nu – en vice versa. Succes is dus niet vanzelfsprekend.’ Onderzoek uit de VS laat volgens Teulings zien waarom veel steden er niettemin heel goed voor staan op dit moment. De correlatie van lonen en opleidingsniveaus toont aan dat medewerkers van bedrijven in steden meer verdienen, dat de concentratie van hoger opgeleiden leidt tot hogere lonen en dat hoge opgeleiden bij voorkeur in de stad wonen. ‘Dat is de internet-paradox: ondanks alle nieuwe media blijven face-to-face contacten de kern in menselijke communicatie.’ Voor de komende jaren verwacht hij een verdere verschuiving van economische activiteiten naar succesvolle stedelijke regio’s. Omdat de woningprijzen in de binnenstedelijke centra onbetaalbaar worden (‘de stad kookt over’) ziet Teulings de meeste kansen in onder meer het verstedelijken rondom stations. ‘We kunnen niet iedereen binnenstedelijk huisvesten; die locaties aan de stadsrand moeten we maximaal benutten. Naast Havenstad hebben we ook de Bovenkerkerpolder nodig.’ In combinatie hiermee zullen steden hun fiets- en openbaar vervoercapaciteit fors moeten verbeteren. ‘Kijk naar de plannen van Amsterdam: de auto is te ruimte-intensief en zal het zwaar krijgen in de stad.’

Afromen van winsten
In de aansluitende discussie onder leiding van Jan Fokkema (directeur NEPROM) wordt ingezoomd op de cruciale rol die mobiliteit gaat spelen in de verstedelijking. Hoe kan er geld gevonden worden om bestaande en nieuwe gebieden goed te ontsluiten? Mogelijk dat vastgoed en infrastructuur in één hand ontwikkeld kunnen worden, zoals in Londen gebeurt. Aan het afromen van ontwikkelingswinsten zijn echter wel grenzen, zo wordt gewaarschuwd. Op de vraag van Fokkema waar naar verwachting de meeste discussie rondom de NOVI zal ontstaan, geeft Emile Reiding aan dat dit vermoedelijk het primaat van binnenstedelijk bouwen zal zijn. ‘Op dit moment worden Woondeals afgesloten met stedelijke regio’s. Daar worden ook voorstellen in opgenomen voor de ontwikkelingslocaties. Die komen straks terug in de NOVI en zijn daarmee richtinggevend voor de verdere verstedelijking.’

Tekst: Kees de Graaf