Nieuws
9 februari 2017
De gelukzoekers van Ruimtelijke Zaken
Ries van der Wouden (Planbureau voor de Leefomgeving) doet verslag van een discussie over nationaal ruimtelijk beleid en de maakbaarheid van geluk.
Op 19 januari was ik één van de sprekers op een bijeenkomst van het Ministerie van Ruimtelijke Zaken in oprichting. Een leuk initiatief van medewerkers van Het Nieuwe Instituut (voorheen NAi), en de architectenbureaus OMA en ZUS. Plaats van handeling was Rotterdam, in een bovenzaal van Het Nieuwe Instituut.

‘Ministerie van Ruimtelijke Zaken’ was het speelse vehikel om de urgentie van een nationaal ruimtelijk beleid te benadrukken en te verkennen wat daarvoor nodig is. Men had het ons als sprekers (na mijzelf achtereenvolgens de landschapsarchitect Yttje Feddes, Jan Fokkema van de NEPROM, de consultant citymarketing Tonny Wormer en de psychiater en theatermaker Damiaan Denys) gemakkelijk gemaakt: geen inleidingen, maar vraaggesprekken. In mijn geval over welke lessen er te trekken zijn uit de geschiedenis van de ruimtelijke ordening. Ik heb geprobeerd de mythe te ontkrachten dat de nationale ruimtelijke ordening aan het hoofd zou hebben gestaan van een strak gestuurd systeem van ‘blauwdrukplanning’. Ook de meest succesvolle Nota’s over de ruimtelijke ordening (de 2e uit 1966 en de 4e uit 1988) moesten het niet hebben van de gedetailleerde aanwijzingen, maar van de overtuigingskracht van het gezaghebbend argument. Dat kan in principe nu ook, al moet dat gezag bevochten worden binnen de context van de one-liners in de oude en nieuwe media. Yttje Feddes voegde daar de nodige leerpunten uit haar lange beroepsleven aan toe, zoals de bindende rol van de ontwerpende disciplines.

Maar de oprichters-in-spe van het Ministerie van Ruimtelijke Zaken wilden niet alleen lessen uit het verleden. Zij zochten ook een dragend concept. Dat zou in hun ogen ‘het menselijk geluk’ moeten zijn. Dat stond immers ook vermeld in de 1e Nota over de Ruimtelijke ordening uit 1960, en zo zou de ruimtelijke ordening naar de bron terugkeren. Daarover ging het tweede deel van het debat die avond. Op het eerste gezicht een sympathiek uitgangspunt. Het sluit aan bij de breed gevoelde wens om de dictatuur van de economische doelstellingen en het BBP achter ons te laten.

Maar kan ruimtelijke ordening geluk maken, of iets bescheidener: de voorwaarden voor menselijk geluk scheppen? Ik denk van niet. Ik zie de vermelding in de 1e Nota over de ruimtelijke ordening als een metafoor: de ruimtelijke ordening richt zich in laatste instantie niet op de fysieke structuren, maar op de mens. Want ook in 1960 was ‘geluk maken’ via de overheid al heel sterk een sociaal-democratisch programma. Voor liberalen was geluk op zijn best de uitkomst van een individueel levenspad. De christelijke partijen zagen ‘geluk’ weliswaar als collectieve opgave, maar dan van het ‘maatschappelijk middenveld’, niet van de overheid. En het draagvlak voor het ‘gemaakte geluk’ is sindsdien alleen maar verder geslonken. Daar komt bij dat de afstand tussen de nationale ruimtelijke ordening en het menselijk geluk nogal groot is, die maakt geen dagelijkse leefomgeving waaraan mensen geluk kunnen ontlenen. Dit in tegenstelling tot architecten, stedebouwkundigen en projectontwikkelaars. Over de eersten schreef de filosoof Alain de Botton zijn fraaie boek De architectuur van het geluk, over de laatsten schreef de NEPROM zijn nota Ruimte maken voor het Nationaal geluk, die door Jan Fokkema in het debat werd toegelicht.

Een goed gemaakte woonomgeving kan wel degelijk bijdragen aan het menselijk geluk, was zijn stelling. Maar de Vlaamse psychiater Damiaan Denys had daar fundamentele bezwaren tegen. Hij ziet de notie van het ‘planbare geluk’ als een typisch Nederlandse fixatie. Geluk is een ongrijpbaar fenomeen, niet maakbaar en bovendien lang niet altijd een positieve waarde. Hij lijkt het gelijk aan zijn zijde te hebben. Sommigen worden gelukkig door een ander op het gezicht te slaan, velen worden gelukkig door daarnaar te kijken, getuige de populariteit van het kickboksen.

En zo eindigde het debat met een open einde. Maar de zoektocht naar de urgentie en de missie van de ruimtelijke ordening gaat verder. Duidelijk is in elk geval dat Ruimtelijke Zaken alleen bestaansrecht heeft als ze de alleenheerschappij van de economie achter zich laat.

dr. Ries van der Wouden
hoofd sector Ruimtelijke ordening en leefomgevingskwaliteit
Planbureau voor de Leefomgeving

Lees ook het artikel "Moet ‘geluk’ terugkeren in de ruimtelijke ordening?" door Ries van der Wouden in ROmagazine