Skip Navigation LinksNieuws

https://intern.neprom.nl/Nieuwsafbeeldingen/politici/theo-rietkerk.jpg
Nieuws
22 januari 2013
‘Gemeenten en markt nu ook aan zet’
Theo Rietkerk (Overijssel), Arthur van Dijk (Haarlemmermeer) en Pieter Tordoir (UvA/ASRE) spreken op 30 januari op het congres ‘Regionale afstemming kantoor- en winkelontwikkelingen’.

U kunt zich nog aanmelden voor de bijeenkomst over 'Hoe en waarom afstemmen bij kantoor- en winkelontwikkelingen'. Locatie: Pakhuis De Zwijger, Amsterdam, 30 januari 2013, 13.30–17.30 uur. Meer informatie over de sprekers en het programma vindt u hier.

aanmelden

Verbetering kantoor- en winkelmarkt vraagt inspanning overheid en markt
In tijden van groei is de noodzaak voor gemeenten en marktpartijen om programma’s en projecten af te stemmen niet heel groot. Iedereen slaagt erin om tot een succesvolle afzet te komen. Heel anders ligt de situatie anno 2013: de uitbreidingsvraag slaat razendsnel om in een vervangingsvraag. Eerst de kantorenmarkt en nu ook de winkelmarkt ondervinden de gevolgen. Hoogste tijd voor stevig ingrijpen door overheid en markt, dat bepleiten Theo Rietkerk (provincie Overijssel), Pieter Tordoir (UvA/ASRE) en Arthur van Dijk (gemeente Haarlemmermeer). Zij spreken op 30 januari op het NEPROM-congres ‘Regionale afstemming kantoor- en winkelontwikkelingen’.

Rietkerk: ‘Gemeenten en markt nu ook aan zet’
Vanuit haar helicopterview heeft de provincie het overzicht op de regionale kantoren- en winkelmarkt. Maar lukt het ook om daar sturing aan te geven en daadwerkelijk tot afstemming te komen? Gedeputeerde Theo Rietkerk van Overijssel concludeert dat zijn provincie de eerste stappen gezet heeft, maar dat gemeenten en marktpartijen niet achter mogen blijven.

‘We hebben hier een bovengemiddelde leegstand. Het was voor ons enige tijd terug reden om in actie te komen. Bij bedrijventerreinen zijn we al een paar jaar geleden gestart, onder meer met een herstructureringsmaatschappij voor bestaande terreinen. Voor de kantoren is sprake van een vergelijkbare beleidsinzet. Zo zijn we in gesprek met de vijf grote steden in Overijssel – hier bevindt zich ongeveer 90 procent van de leegstand. Dat leidt concreet tot planbijstellingen en afboekingen.

De provincie speelt daarbij een meervoudige rol: regisserend, beleidsbepalend, kwaliteitsbewakend én zelf investerend. De komende tijd moet hard aan de groeiende leegstand van winkels worden gewerkt. Dat is bijkans nog een lastiger opgave dan bij de kantoren: wie is verantwoordelijk, wie pakt het op, wat zijn de mechanismes? In onze optiek zijn met name gemeenten aan zet om nieuw beleid te ontwikkelen. Zij hebben een trekkersrol en moeten met winkeliers, beleggers en ontwikkelaars in de slag: maak een nieuwe detailhandelsvisie en stem die regionaal af. Wij hebben daar in 2009 al een voorzet voor gegeven, door bijvoorbeeld het PDV/GDV-beleid opnieuw vorm te geven. Ons standpunt: geen winkels in de weide meer, alle focus op de bestaande structuur. Van onze kant – om onze betrokkenheid bij de problematiek van leegstaande winkels te tonen – kunnen we pilots voor innovatieve concepten en kennisdeling met procesgeld ondersteunen.

Daar los je het probleem niet mee op, maar we kunnen het er wel mee agenderen. Ook het Rijk kan helpen, door bijvoorbeeld herbestemming van winkelpanden juridisch beter mogelijk te maken. Tenslotte mag ook de marktsector bij het ontwikkelen van nieuw beleid niet buiten beeld blijven; ook zij moet haar verantwoordelijkheid nemen. Jarenlang is er door de vastgoedsector goed aan kantoren en winkels verdiend, zij mogen nu niet alleen naar de overheid wijzen voor het oplossen van de problemen. Bij de grote partijen in de markt is dat besef er inmiddels, de kunst wordt om ook de lokale winkeliers en vastgoedeigenaren daarin mee te krijgen.’

Tordoir: ‘We moeten verlies-verlies managen’
Hoogleraar Pieter Tordoir (UvA/ASRE) geeft aan dat er veel te winnen is met een betere regionale afstemming van kantoren en detailhandel. De problematiek is urgent: op sommige locaties loopt de leegstand op tot 30 procent of meer, met alle negatieve gevolgen van dien. Ingrijpen is hard nodig, maar niet eenvoudig – ook omdat de kantorenmarkt wezenlijk verschilt van de winkelmarkt. Maar iedereen zal een deel van de pijn moeten nemen, aldus Tordoir. Van win-win managen naar verlies-verlies, dat is lastig.

‘Zowel bij de kantoren als de detailhandel kampen we met een leegstands-, structuur- en marktprobleem. Daar komt nog bij dat de problematiek binnen regio’s heel verschillend uitpakt. Stel dat alle kantoren over heel Nederland met 10 procent leeg zouden staan, dan werd de pijn gelijkelijk verdeeld. Maar we zien juist grote extremen, ook in termen van ontwikkelingsdynamiek en marktkansen. Er is sprake van kantelingen in de markt, in het vestigingsgedrag van bedrijven en winkels. Binnenstedelijk zijn er bijvoorbeeld goede plekken aan te wijzen waar de vraaguitval meevalt. Plekken met een gemixed programma en goed ontsloten met OV, daar wil de markt nog wel graag zitten. Maar op de suburbane locaties waar de afgelopen decennia veel is gebouwd is het bar en boos. De kwaliteit is daar te laag om in te kunnen spelen op de veranderende wensen van gebruikers. Op sommige snelweglocaties neemt de kantorenleegstand toe tot meer dan 30 procent. Dat is heel moeilijk op te lossen: we zullen moeten wennen aan verlaten gebouwen en gebieden.

Dat nu ook de leegstand bij winkels toeneemt, vind ik zorgelijk. Die leegstand willen we niet, voor de aantrekkelijkheid en leefbaarheid van onze dorpen en steden is dat uitermate ongewenst. Tegelijkertijd dreigt de concurrentie tussen gemeenten in een dalende markt alleen maar harder te worden; ik houd mijn hart daar wel voor vast. Alle reden om daar in regionaal verband iets aan te doen. Met afstemming en regulering valt veel te winnen. Nieuwbouw moet je alleen heel selectief toelaten. Overheden hebben een flinke vinger in de pap gehad in de goede tijden, bij de ontwikkeling van nieuwe gebieden. Zij zullen nu de handen ineen moeten slaan en het initiatief moeten nemen. Provincies en regionale samenwerkingsverbanden kunnen daar een belangrijke rol in spelen, zij moeten ook de marktsector erbij betrekken. Hoe lastig dat ook is: van win-win situaties gaan we naar het begeleiden van verlies-verlies. Dat vraagt een regionale aanpak die voor kantoren wel anders opgezet zal moeten worden dan voor winkels, want dat zijn heel verschillende markten. In kleine kernen speelt het kantorenprobleem bijvoorbeeld veel minder, maar daar is de detailhandel wel van groot belang. Dat vraagt om een specifieke aanpak.’

Van Dijk: ‘Overheid en markt samen verantwoordelijk’
De gemeente Haarlemmermeer was een van de eersten om enkele jaren geleden een rem te zetten op grootschalige kantoorontwikkelingen. In Metropoolregio-verband is dat verder opgepakt en uitgerold. Wethouder Arthur van Dijk zit het Platform Bedrijven en Kantoren (PlaBeKa) voor en betrekt daar ook de marktsector bij. Overheid en markt moeten in zijn visie samen aan het werk. Zijn sleutelwoorden: afstemming, selectieve nieuwbouw en herontwikkeling van bestaand vastgoed.

‘Niet voor niets zijn wij in onze regio al in 2005 met PlaBeKa gestart. De urgentie was hoog: teveel plannen voor kantoren in de pijplijn. Alleen door stevige samenwerking slaag je erin dat weg te werken. De noodzaak is ondertussen met 20 procent leegstand alleen maar groter geworden. De samenwerking rond kantorenplanning is verbreed naar allerlei terreinen: economisch beleid, citymarketing, hotelbeleid. Wanneer zich hier een hotel meldt voor een leegstaand kantoor, stem ik dat eerst regionaal af. Voor je het weet creëer je namelijk de volgende bubble. Als je de urgentie van afstemming niet ziet als essentieel onderdeel van de Metropoolregio, dan ben je niet on top van wat er gebeurt. Je bent onderdeel van een groter geheel – op allerlei gebied. De leegstand bij kantoren heeft ertoe geleid dat voor nieuwbouw inmiddels een “nee, tenzij” geldt. Er is een stop gezet op nieuwe locaties en veel locaties zijn geschrapt. En als zich bedrijven melden voor nieuwbouw een bestaande locatie – zoals Beukenhorst-Zuid – kijken we heel gericht naar de toegevoegde waarde voor dat gebied.

Ook speelt behoud van werkgelegenheid voor de regio een rol. De vestiging op dat terrein van Fluor is een goed voorbeeld: zij gingen met 800 medewerkers weg uit Haarlem, maar konden hier een nieuwe plek vinden en passen in het duurzaamheidsprofiel voor deze locatie. Maar onze aanpak is er net zo goed op gericht om bedrijven voor bestaande panden te interesseren. Sanoma, Crocs, UPC, McAfee: ze hebben allemaal niet voor nieuwbouw gekozen, maar voor een – al dan niet aangepast – bestaand pand. Het past in de omslag van een aanbod- naar een klantgerichte benadering.

Het gaat bij afstemming uiteindelijk ook om een landelijk belang. Je moet als land aantrekkelijk blijven voor buitenlandse investeerders. Dat vraagt van overheid én markt om een gecombineerde visie en inzet. Het Rijk kan bijvoorbeeld inzetten op het vergemakkelijken van herontwikkeling, door versoepeling van regelgeving. Maar ook de marktsector moet bewegen, onder meer door panden af te waarderen. De regionale afstemming en samenwerking die we hier hebben opgebouwd moet je landsbreed neerzetten.’