Nieuws
7 november 2018
​Thuis in de toekomst: de visie van Tweede Kamerlid Erik Ronnes
Tweede Kamerlid Erik Ronnes (CDA) reageert vanuit de landelijke politiek op de NEPROM-visie ‘Thuis in de toekomst, Investeringsstrategie voor duurzame verstedelijking’.

De NEPROM publiceerde onlangs ‘Thuis in de toekomst, Investeringsstrategie voor duurzame verstedelijking’. Inmiddels is ook het Kabinetsperspectief voor de Nationale Omgevingsvisie verschenen. Een goed moment om aan een aantal politici te vragen hoe zij tegen de toekomstige ruimtelijke inrichting van Nederland aankijken. Tweede Kamerlid Erik Ronnes (CDA) reageert vanuit de landelijke politiek.

Deelt u de analyse van de NEPROM dat de woningbouwopgave tot 2030 één miljoen nieuwe huizen bedraagt?
‘Dat lijkt me een gegeven. Overigens is dat getal niet nieuw, dit wisten we twee jaar geleden ook al. Er ligt een urgente noodzaak om de ruimtelijke ordening in Nederland zó in te richten dat we deze bouwopgave kunnen realiseren. Waarbij we inmiddels al weer 200.000 woningen achterlopen, met het huidige bouwtempo. Dus dat wordt een hele klus.’

Hoe kijkt u aan tegen het onderzoeksresultaat dat een groot gedeelte van de nieuwbouwopgave toch in eengezinswoningen zit, omdat senioren graag in hun eengezinswoning blijven zitten, ook in de toekomst?
‘Ik vind de scheiding tussen eengezinswoningen aan de ene kant en appartementen aan de andere kant te grof. Je ziet bijvoorbeeld dat er ook levensloopbestendige grondgebonden woningen voor senioren gebouwd worden, met alle functies gelijkvloers. Die woonbehoefte is best groot. Senioren hoeven daarmee niet zeker niet per se gestapeld te wonen. En lang niet elke omgeving leent zich voor de bouw van appartementen, kijk bijvoorbeeld naar plattelandskernen. Op dit vlak is de noodzaak van een goede lokale afstemming evident. Onder regie van het lokale bestuur moeten corporaties, projectontwikkelaars, maatschappelijke organisaties en bewoners in gesprek gaan en gezamenlijk een plan de campagne opstellen. Wat is er nodig, waar en op welk moment? Op veel plekken lopen die gesprekken al maar we kunnen er nog meer werk van maken, handen uit de mouwen en tandje erbij!

We hebben namelijk nog heel wat heuvels zo niet bergen te nemen. Er zijn lange en stroeve besluitvormingstrajecten en financieringsaspecten die voor vertraging zorgen. Ook het ontsluitingsvraagstuk is vaak ingewikkeld. Alle spelers – het Rijk inclusief – moeten hier hun verantwoordelijkheid in nemen, om ervoor te zorgen dat er versneld productie kan worden gemaakt. De minister komt hier zeker ook in beeld. De Woonagenda brengt in beeld wat er speelt maar die moet worden omgezet in een krachtig actieprogramma.’

Ziet u heel andere opgaven, knelpunten en uitdagingen waar het gaat om duurzame verstedelijking in de komende 20 jaar?
‘Dan zie ik naast de versnelling in de bouwproductie twee dingen. De samenwerking tussen gemeenten en provincies kan beter. Niet meer vanuit het theoretisch kader en verouderde prognoses te werk gaan, maar samen vanuit de praktijk kijken: wat is realistisch, wat is de actuele vraag. En daarnaast: versterk de integraliteit. Neem bijvoorbeeld ook de kansen in niet-stedelijke omgevingen mee, denk aan boeren die stoppen en waarvan het vastgoed kan worden herontwikkeld. Bevorder ook de innovatie, zodat je bijvoorbeeld boven het spoor kunt gaan bouwen.’

Bent u het er mee eens dat het Rijk waar het gaat om systeemkeuzes en de grote ruimtelijke opgaven weer meer de regie naar zich toe moet trekken in combinatie met het beschikbaar stellen van de financiële middelen?
‘Het gaat vooral om de vraag: wat is er nodig? Eerst moet inzichtelijk worden gemaakt welke oplossingen nodig zijn om de versnelling tot stand te brengen. Direct geld ernaartoe brengen is niet de weg voorwaarts. Vaak is dat geld namelijk wel beschikbaar maar zitten de problemen op heel andere terreinen: procedures, eigendom, archeologie, flora en fauna, een onjuist gebruik van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking. Maak dus eerst een goed plan en kijk vervolgens: hoe realiseren we dat? Laat onverlet dat het Rijk wel degelijk bruggen kan slaan. Zij heeft met name in grootstedelijke omgevingen korte lijnen met het gemeentebestuur. Ga in gesprek over hoe de barrières geslecht kunnen worden. Niet door zelf nieuwe locaties aan te dragen maar wel door voldoende ontwikkelruimte toe te staan. En daarbij mag de minister ook meer de tanden laten zien: wanneer steden zich committeren aan een realistische bouwopgave mag zij ze daar ook aan houden.’

Hoe kijkt u tegen de analyse aan dat gemiddeld gesproken maximaal 55% van de nieuwe woningen in bestaand bebouwd gebied is in te passen en dat er dus ook op uitleglocaties gebouwd moet gaan worden?
‘Duurzaam ruimtegebruik staat wat mijn betreft voorop. Maar met realisme: we kunnen niet alle problemen binnenstedelijk oplossen. We moeten zeker ook de groene longen in de steden behouden en niet elk plekje maar volbouwen. Aan de randen van de steden zijn ook goede ontwikkelingen mogelijk. Het is dus én-én.’

Tekst: Kees de Graaf